Help:Hoe schrijf je voor het web?

Uit Cultureel Erfgoed Standaardentoolbox
Ga naar: navigatie, zoeken

Liefhebbers van beeldspraak en literaire zinsneden: helaas, het web is niet jouw ideale medium en een wikipagina allerminst. Spaar je ambities voor andere schrijfsels en aanvaard dat de CEST-website volledig ten dienste staat van de gebruiker.

Denk aan je doelgroep

Wikiteksten moeten zo eenvoudig en kort mogelijk zijn. Daar zijn verschillende argumenten voor en die hebben allen met je doelgroep te maken.

Ten eerste is een tekst aflezen van een scherm gewoonweg veel vermoeiender dan een papieren tekst lezen. Het vergt meer concentratievermogen en is lastiger voor de ogen.

Ten tweede moet de uitleg begrijpbaar zijn voor de kleinste gemene deler van de doelgroep, i.e. zowel voor de ervaren archivist die weinig kent van multimedia als de IT-medewerker die slechts een basiskennis van archiefbeheer heeft.

Ten derde is het internet een jachtig medium: de gebruiker wil zijn informatie sneller vinden, altijd. Een bonus die je krijgt is dat de zoekmachine je website ook meer zal smaken: doordat je tekst meer uitgepuurd en gestructureerd is, zal je website hoger in de zoekresultaten verschijnen.

Help je lezer en de zoekmachine de tekst efficiënt te ‘scannen’:

  • Gebruik voor menu's herkenbare woorden als ‘start’(pagina), ‘contact’, ‘over’. Zo vragen ze niet meer aandacht dan noodzakelijk.
  • Beperk je alinea's zo veel mogelijk tot maximaal 6 regels.
  • Voeg betekenisvolle titels en tussentitels toe.
  • Voeg links toe naar het glossarium en standaarden.
  • Gebruik vet en cursief om sleutelwoorden in het oog te laten springen.

Tekststructuur

De inhoud van de pagina is bij de eerste aanblik duidelijk

De internetgebruiker is eigenlijk een snorkelaar: hij wil zonder naar beneden te duiken zien wat je website te bieden heeft. Alles onder de “scrolgrens” wordt daarbij beschouwd als de diepzee: enkel minder belangrijke informatie kan daar overleven.

Stel jezelf dus de vragen: Wat wil ik dat de lezer zeker kan zien het moment dat hij op de pagina komt? En vermits we ons ten dienste stellen van deze lezer: Wat wil de lezer zelf zien?

  • Titels worden als eerste gelezen. Gebruik zinvolle titels, i.e. titels die al iets vertellen over de inhoud van de tekst.
  • Vertel in je een inleiding meteen het doel van de pagina: welke info valt hier te rapen? Gebruik in deze alinea zo veel mogelijk sleutelwoorden gerelateerd aan de pagina (dit is ook zeer belangrijk voor zoekmachines).
  • Is het een 'doorklikpagina met een overzicht van links. Probeer de alle links of toch op zijn minst het begin van je overzicht boven de scrolgrens te plaatsen. Anders bestaat het gevaar dat men ze niet opmerkt!
  • Als je pagina veel interessante info bevat, is het niet altijd mogelijk om alle belangrijke zaken boven de scrolgrens te plaatsen. Opteer dan voor een inhoudstafel:
    • Gemakkelijk scanbaar. Gebruik betekenisvolle titels!
    • Werp anchors uit waarlangs de lezer veilig en vooral snel kan afdalen naar de informatie op de bodem van de pagina.
  • Hou de informatie waarnaar niemand echt op zoek op die specifieke pagina voor de bodem: disclaimers, medewerkerslijsten, een literatuurlijst, herhaling van informatie die elders op de pagina het hoofdonderwerp is etc.

De informatie gaat van algemeen naar specifiek

Op tekstueel niveau worden hier minder fouten tegen gemaakt dan op zinsniveau (zie verder).

Zinsbouw

  • Lees je tekst eens hardop: zijn er constructies waarover je struikelt? Haal die er dan uit.
  • Gebruik zo veel mogelijk enkelvoudige zinnen.
    • Plak geen zinnen onnodig aaneen met ennen of komma's.
    • Gebruik zo weinig mogelijk bijzinnen. Vergelijk:
      • "Dit is nieuwe software, die nog getest moet worden."
      • "Dit is nieuwe software. Ze moet nog getest worden."

Op deze manier kun je veel zinnen vereenvoudigen.

Het Nederlands laat veel vrijheid om de volgorde van je zinsdelen te bepalen. De woordvolgorde is echter niet betekenisloos. Ten eerste bepaalt de woordvolgorde de klemtoon in de zin: wat helemaal vooraan of achteraan staat krijg meer nadruk.

Ten tweede is het interessant even stil te staan wat je van de lezer zijn hersenen vraagt: levert je tekst de informatie in de optimale volgorde?

Oude informatie staat vooraan in de zin, nieuwe informatie staat achterin

Maak logische informatiekettingen. Vergelijk:

  • “Ik ben Charlotte en ik woon in Gent. Er vinden veel activiteiten plaats in deze stad. Het filmfestival is een van die activiteiten.”
  • “Ik ben Charlotte en ik woon in Gent. Gent is een stad waar veel activiteiten plaatsvinden. Een van die activiteiten is het Filmfestival.”

Beide voorbeelden bevatten exact dezelfde informatie, gebruiken dezelfde worden en zijn grammaticaal even correct. Het eerste voorbeeld lijkt echter wel de processie van Echternach: de redenering gaat een stap vooruit en twee stappen terug. Dat maakt de tekst stroef en moeilijker om te volgen.

Ook definities zijn een toepassingsgebied van dit principe. Vergelijk:

  • “Een geheel van erkende afspraken, specificaties of criteria over een product, een dienst of een methode, noemen we een standaard.”
  • “Een standaard is een geheel van erkende afspraken, specificaties of criteria over een product, een dienst of een methode.”

Het eerste voorbeeld verduidelijkt voor de lezer pas op het einde van de zin het verband tussen de voorgaande acht brokjes informatie. Dit is niet bevordelijk voor het geheugen. Het tweede voorbeeld reikt eerst een ‘doos’ aan en vertelt dan wat erin zit. Dit vraagt minder inspanning en daarom geniet het de voorkeur. Het eerst voorbeeld kan echter wel de voorkeur genieten wanneer dit beter in de informatieketting past.

Woordkeuze

Heb je hogere studies gedaan? Dan zit de kans er dik in dat je een zogenaamd academische schrijfstijl aangenomen hebt. Die werkt prima om rapporten, verhandelingen en scripties mee te schrijven, maar laat je in de steek wanneer je goede webteksten wilt schrijven.

Vage informatie is nutteloze informatie

CEST is een wikiwebsite. Als je op een wikipagina iets niet met zekerheid kunt zeggen, dan wordt aangeraden om het gewoon niet te zeggen. Gebruik dit principe niet enkel bij de selectie van je informatie, maar ook voor je schrijfstijl. Laat woorden weg die nauwelijks betekenis toevoegen:

  • signaalworden: vervolgens, ten eerste, tweede... in een lijst.
  • nuanceringen:
    • in principe, in theorie, in de praktijk, in het algemeen, gewoonlijk, doorgaans, eventueel, misschien, vaak, soms ...
    • "Doe dit steeds, altijd, duidelijk, goed, correct..."
  • onnodig commentaar: Doe dit gewoon, eenvoudigweg ...
  • aan de ene kant... aan de andere kant, enerzijds ... anderzijds, wanneer er geen tegenstelling is.

In dit rijtje horen ook de befaamde passiefzinnen thuis, een favoriet in academische kringen. Passiefzinnen zijn zinnen die het lijdend voorwerp als onderwerp hebben in plaats van een persoon, zodat je verzwijgt wie de actie uitvoert. Vergelijk:

  • "Ik heb de bestanden niet opgeslagen."
  • "De bestanden werden niet opgeslagen."
  • "De bestanden zijn niet opgeslagen."
  • "Het opslaan van de bestanden is niet gelukt."

Van de bovenstaande zinnen is er maar een die expliciet duidelijk maakt dat jij de schuldige bent. De drie passieve constructies laten dit in het midden en zijn bijgevolg vager.

Vervang zo veel mogelijk je passiefzinnen door actieve zinnen.

  • Voert de gebruiker de actie uit? Gebruik dan een imperatief: "Sla de bestanden op."
  • Voert iets of iemand anders de actie uit? Gebruik dan een gewone actieve zin: "Het programma slaat de bestanden op."
  • Is je passiefconstructie het onderwerp van je zin? Schrijf dan niet "Het opslaan van bestanden...", maar "Bestanden opslaan is niet moeilijk."

Een woord voor een concept

In literatuur is het aangenaam dat niet constant dezelfde woorden gebruikt worden. In een informatieve tekst is dit verwarrend. Daarom is het belangrijk dat je niet overschakelt op synoniemen.

De lezer en de mens in het algemeen streeft er onbewust naar om aan elk woord een apart concept toe te kennen. Ook al bedoel jij met 'file' exact hetzelfde als 'bestand', de lezer zal zich afvragen of er misschien ook een inhoudelijke reden is voor je overschakeling naar een ander woord.

In de context van CEST kijk of er in het glossarium of het standaardregister een voorkeursterm opgenomen is die gebruik je dan consequent.